Verwachtingen van de burger
De burger heeft dus op het vlak van informatie verwachtingen van de overheid. Deze verwachtingen zijn opgebouwd rond twee variabelen, namelijk ‘inhoudstype’ en ‘tijdsperspectief’. ‘Inhoudstype’ kan opgesplitst worden in twee vormen, namelijk algemene informatie (bijvoorbeeld de algemene pensioensregeling) en specifieke informatie (zoals een nieuwe pensioensregeling voor leraren). ‘Tijdsperspectief’ kan opgesplitst worden in ‘permanent’ (informatie over bestaande regelgeving) en ‘bij gelegenheid’ (informatie over nieuwe wetten, initiatieven of procedures).
Er heerst een wat vreemd idee dat burgers alleen zouden zoeken naar nieuwe specifieke informatie. Vragen van burgers lopen echter niet zomaar synchroon met campagnes of politieke vernieuwingen. Daarenboven zijn deze vragen zeker niet ingedeeld volgens diensten en afdelingen. Men volgt samengevat te veel de agenda van de overheid en niet die van de burger. Overheidscommunicatie moet niet alleen zorgen voor just-intime- leveringen, maar ook voor een ‘permanente voorraad’. Daarom moet een overheidsinstantie in middelen voorzien om ‘on demand’ te antwoorden op de individuele hortende informatiebehoefte van de burger, en op de continue stroom van specifieke vragen vanuit de maatschappij als geheel. Die antwoorden moeten onmiddellijk leverbaar zijn, en als het even kan begrijpelijk en toegankelijk.
Nieuwe benadering van middelen
Het is niet omdat informatie bestaat dat men aan zijn informatieplicht voldoet. Zomaar folders produceren die de burger dan ergens kan oppikken of aanvragen is onvoldoende. Het principe van informatie-op-aanvraag moet aangevuld worden met het verspreiden van informatie via brede media, zodat de burger ook zonder inspanning die informatie kan vinden. Het inzetten van nieuwe media past perfect in die maximalisatie van het aantal ingangen tot informatie. Het volstaat over het algemeen niet om de burger op één of twee manieren toegang tot informatie te bieden. Meerdere middelen met dezelfde boodschap moeten multidimensionaal worden ingezet, zodat iedere burger een
beroep kan doen op het medium dat hem het beste ligt.
De burger heeft gemerkt dat hij als consument steeds meer kan vragen van bedrijven en producten. Tegenover zijn overheid heeft hij dezelfde houding aangenomen. Toch is de burger geen klant van de overheid, hij is lid van een zeer grote vereniging. Dat betekent dat een burger ook plichten heeft. Maar die hoeven zich daarom niet af te spelen op het vlak van communicatie. |